De naakte waarheid over liefde

 

Ik vroeg mij af: is liefde de zin van alles?

Ik heb een partner waar ik het goed mee kan vinden, maar ook hij is niet degene die mijn leven die ultieme bestaansvervulling geeft waar ik naar verlang.

 

Ik begreep dat ik deze vraag moest inhaleren en er mijn totale aandacht op moest richten. Ik had me immers voorgenomen om af te rekenen met alles wat al voor mij gedacht of bedacht was.

Mijn hersens drukten in gefocuste concentratie pijnlijk tegen mijn schedel alsof ze daar het antwoord wilden forceren.

De angst voor de waarheid was even sterk aanwezig als de wil om het antwoord te kennen.

 

Ik vroeg mij af hoe liefde zou moeten zijn. Het antwoord gaf voor mij de juiste omschrijving: Geborgenheid, bevestiging en vertrouwen.

 

Maar wie zou mij die liefde moeten geven? De prins op het witte paard?

Geen van de prinsen die al voorbij waren gekomen had mij deze liefde kunnen geven, althans ik had het niet gemerkt.

Zou de ware liefde wel bestaan, vroeg ik mij af. En hoe zou hij dan moeten zijn, deze man die mijn leven zou vullen met alles waar ik naar hunkerde? Het verder denken koste me moeite, maakte me verward.

Steeds op een cruciaal punt van eventueel inzicht won het verzet het van mijn wil en viel ik in slaap.

 

De volgende dag concentreerde ik me opnieuw. Ik vroeg mij af: als deze ware liefde mijn leven zin kan geven tot de dood ons scheidt, als deze man bestaat, waar zou hijzelf dan deze liefde vandaan halen?

De niet te stuiten wil om door te dringen tot de kern tilde me door de moeheid en door de gedachtebarrière heen naar het zien:

 

Naakt stond ze voor me, de waarheid.

 

Direct en onomwonden beantwoordde ze mijn vraag:

‘De prins zoekt niet naar zijn prinses om haar zijn onbaatzuchtige liefde te geven. Nee, hij hunkert naar diezelfde warme geborgenheid en bevestiging zoals jij die zoekt in hem.

Kan er van liefde sprake zijn als je die beiden in de ander zoekt?’

 

Ontgoocheld keek ik om mij heen toen de waarheid concluderend zei: ‘De liefde van het verlangen staat gelijk aan het vertwijfeld ontkennen van alleen zijn.’

 

Ik voelde me diep geraakt door dit antwoord. Door dit te weten moest ik erkennen dat er niemand anders op de wereld was die mijn leven blijvend de moeite waard kon maken dan alleen ikzelf. Maar tevens was er opluchting. Ik had mijn geconditioneerde gedachtegang over wat liefde is voorgoed ontmaskerd. Ik had mijzelf wakker gekust na een lange slaap en al voelde ik na die kus geen liefde, ik wist nu zeker dat ik met mijzelf verder moest.

 

 

Uit Het Denken een afwijking